To fagitó
Soula is bijna boos als wij ons tegen half drie bij haar aanbellen. Ze had over de telefoon van mij begrepen dat we ’s ochtends zouden komen, terwijl ik toch echt mijn best had gedaan om te zeggen dat we rond 2 uur zouden komen. Soula is de moeder van de Griek die ons in Amsterdam de grondbeginselen van het Grieks heeft bijgebracht. Bij Soula ontkom je niet aan oefenen, want ze spreekt geen Engels. Ze is 80 en heeft zich behoorlijk druk gemaakt over onze komst – zeker toen we maar niet leken te komen. Een telefoontje naar Nederland leverde geen andere mededeling op dan “Papa is niet thuis”. Ze zet meteen een grote bak koffie voor Ton en voorziet ons van een boterham in afwachting van het echte eten, dat langzaam heet moet worden. Tijdens de Olympische Spelen hebben we een week bij Soula gebivakkeerd en we weten dat je eten koken rustig aan haar kunt overlaten. We vertellen haar dat we een huis hebben gevonden. Tot onze grote verwarring vindt ze het nogal ver weg. Ze denkt dat we in Iraklio gaan wonen. Op Kreta. Het kost enige moeite, maar het lukt ons om duidelijk te maken dat onze nieuwe huis op 10 minuten afstand met de auto ligt. In Athene dus. Soula is bang om het huis uit te gaan, ze komt zelfs haar balkon niet meer op uit angst om te vallen en zal het adres aan haar zoon geven als die volgende maand komt. Maar haar huis is ons huis en we zijn altijd welkom.
De stoofschotel van aubergine, tomaat, aardappel, veel dille en gehaktballetjes smaakt als vanouds. Wie weet kunnen we haar over een tijdje nog een keer meekrijgen om bij óns te eten.

