Waarom naar Athene?

Omdat… daarvoor moet ik eerst vertellen waarom Amsterdam mijn thuis was. In 1992 nam ik de trein naar Amsterdam Amstel en liep van daar naar Laurien. Bij het lopen was er een gevoel van ‘thuiskomen’ dat ik zo sterk nog nooit gevoeld had. De stad paste als een tweede huid. Waarom? Dat is eigenlijk niet te verklaren. Natuurlijk. Mijn opa is in de Willemstraat geboren. Daarom was het zeer zeker een thuiskomen. Als jochie heb ik er een keer bij de Chinees gegeten toen we m’n opa en oma uit Haarlem ophaalden. En Ajax. Dat was altijd al mijn club. Vanaf dat ik voetbal als jochie volgde. Dat kon ook meespelen. Maar dat ‘thuiskomen’ is niet te beredeneren en heb ik toen geaccepteerd als realiteit. Later voelde ik dat vaker, wanneer ik de stad in kwam. Dat doet me denken aan een keer in de trein. Er zat een jongen vlak bij ons. Bij het laatste stukje tussen Osdorp en CS stond hij op en trok het raam open, stak z’n kop naar buiten en snoof diep de lucht op. “Ah, thuis!” was wat hij zei…
De enige andere plek waar ik me ook thuis voelde komen was in Athene. Ik was hier voor het eerst in 1984 en toen al kriebelde het. Maar in 1994, toen ik met Laurien hier was, kwam ik echt thuis. Ik heb het toen ook Jan geschreven hoe de geuren, geluiden en de sfeer nog steeds hetzelfde voelden. Dat is nooit weggegaan. Elke keer wanneer we weer de stad binnen kwamen kwam ik thuis. De stad veranderde. De route de stad in veranderde. Er kwam een nieuw vliegveld. Nieuwe wegen. Maar steeds datzelfde, onbestemde, maar zo reële ‘thuiskomen’.
Nu gaan we hier wonen. Zou dat gevoel nog net zo reëel zijn?
Natuurlijk was er de opwinding toen we via de Attiki Odos de stad in reden. Maar dat was ook het einde van een lange reis. Letterlijk (2600 km) en figuurlijk (ruim 4 jaar). Dat en de vermoeidheid… dat vertekent. Verder natuurlijk het genieten van het hier zijn. Vakantiegevoel. De opwinding van het ‘opbouwen’ het ‘nieuwe’. Maar ‘thuiskomen’?
Afgelopen maandag lopen we over het plein bij de kathedraal naar Metropol (het café-restaurant waar we meestal een koffie pakken). Het is een oude, chique tent met zeer correcte obers, uitstekende koffie, rustige sfeer en prijzen die daar bij passen. Ik merk dat ik het plein over loop, recht op Metropol af en zonder bewust te kijken. Laurien en ik praten over kleding en wat boodschappen. De obers herken ik en we lopen achteloos naar een tafel. Dan besef ik: “Dit past als ene paar oude schoenen.” Ik ben thuis.

Daar zou het bij kunnen blijven. Maar ook Amsterdam blijft een thuis voor mij. Dat gevoel zal echt niet verdwijnen. Al is het maar vanwege Ajax. Toch is ook daar een parallel.
Ajax won in 1971 de Europacup I tegen Panathinaikos. Een van de drie grote clubs uit Athene. Sinds die tijd heb ik altijd wat met die club gehad. Ik bleef ze volgen en mijn sympathie lag daar wanneer ze in de Europacups speelden. Meestal niet zo succesvol. Wel af en toe landskampioen. Mijn sympathie lag vanzelfsprekend bij Ajax toen in 1996 (?) de kwartfinale in de Championsleague tussen hen ging. Da’s logisch. En ieder nadeel heb z’n voordeel, dus stond voor mij wel vast welke club de ‘mijne’ zou zijn hier. Dat was al Panathinaikos en dat zal zo blijven. Kostas, de man van Ester, is een vervent AEK-fan. Tja, ook Grieken hebben hun fouten… Maar het had erger gekund. Hij had Olympiakos Piraeus-fan kunnen zijn…
Toen we vanavond het huurcontract kwamen tekenen, kwam Dimitris (de 29-jarige zoon van onze huisbazin) er bij zitten. Zij was in het zwart van de rouw. Haar moeder gisteren begraven en moe… zo moe.
We troffen Dimitris voor de tweede keer. Hij kwam er bij, omdat hij onze buurman wordt? Of omdat hij, sinds zijn vader 2 jaar geleden overleed, zijn moeder wat steun geeft? Die rol ga je al snel vervullen als oudste…
Vanwege de hitte is hij in T-shirt en korte broek en zakt, na een kort handenschudden, in een stoel. Van welke voetbalclub ik ben in Nederland. Ajax natuurlijk, ik kom uit Amsterdam… Hij grijnst en merkt op dat Panathinaikos ten onrechte van Ajax verloor. Hij had een video van de wedstrijd gezien en 1-1 zou veel beter zijn geweest. Ik grijns terug en laat hem die opmerking (dat komt nog wel eens; dat verzuurt niet…) en vertel dat ik sinds die tijd altijd een speciale interessen in Panathinaikos heb gehad en dat van de Griekse clubs dat voor mij de enige is… Riskant, zo’n opmerking… Het zal maar een AEK-fan zijn… Niet dus. Hij blijkt een diehard Panathinaikos-fan te zijn. Zijn moeder haalt wat foto’s tevoorschijn van haar moeder toen deze 17 was. Een mooie vrouw en sprekend haar dochter. En een trouwfoto waarop haar moeder 2 maanden zwanger van haar was. Dimitris pakt een andere foto. Hij staat er op met zijn vader én zijn moeder. Die keurig nette dame… alle drie in het groen/wit van Panathinaikos en met sjaals en hoeden… “Nu weet je met wat voor familie je te maken krijgt”, laat hij weten. Even later komt hij de kamer weer in en geeft me een cadeau. Het is een vlag van Panathinaikos. Ik ben diep geroerd.
Verder pratend ontdek ik dat de verhouding tussen Panathinaikos en AEK vergelijkbaar is met die tussen Ajax en Feyenoord: elkaar niet uit kunnen staan en tóch is er respect. Olympiakos is de PSV van de drie. Ik maak de volgende vergelijking tegen hem: Wanneer Ajax geen kampioen wordt maar Feyenoord, dan voel je je ziek. Maar wanneer PSV kampioen wordt dan voel je je doodziek. DAN nog liever Feyenoord. Hij grijnst bevestigend terug. Zo is het precies. We moeten maar eens naar een wedstrijd. Ook dát is ‘thuis’.

Mijn naam geeft hier altijd verwarring. ‘Ton’ is een lidwoord en Grieken zetten het lidwoord vaak voor de naam. Ze hebben het dan over “de Ton”. Dat klinkt voor ons vreemd, maar met mijn naam wordt het “ton Ton” en dát klinkt ook heel vreemd voor hen. “Maar wat is je náám!” krijg je dan vaak terug. Daarom had ik al besloten om hier mijn volledige tweede naam Anton te gebruiken (hier uitgesproken als Andon). “Ah, Andon, als in Andónis?” merkt Dimitris op, “Dan noem ik je zo, want dat is een Griekse naam.”
Met de naam Andónis en de vlag in mijn tas lopen we ons toekomstig huis weer uit de avondlucht in. Mensen wandelen over de straat naar het centrale plein. Drie jongens voetballen op het kruispunt. Ik ben thuis.

 

Waarom Athene?

Griekenland is niet het meest voor de hand liggende land om heen te emigreren. Onze keuze voor de stad Athene is dat voor velen nog minder. De vraag is me vaak gesteld:  “Waarom Athene?” Meestal onuitgesproken en soms hardop gevolgd door “Waarom geen mooi Grieks eiland”? Die vraag beantwoorden begint in Nederland. In Goes, een kleine plaats op Zuid-Beveland, Zeeland, ben ik geboren en getogen. Mijn oom en tante hadden een groentewinkel aan de Beijerlandse laan in Rotterdam. Mijn fascinatie voor de stad, de lichtjes, de tram, volgeplakte peperbussen, begon hier toen ik als peuter naar buiten tuurde door de luxaflex in de woning boven de winkel.
Amsterdam. Thuiskomen op Centraal Station. Genieten van de lichtjes van de stad. Genieten van het uitzicht vanaf ons dak – de Westertoren, het Shellgebouw, de Arena, en het Rijksmuseum. Van de kleur van het Okura (een groene dakrand betekende mooi weer, een blauwe stond voor regen), terwijl ik me afvroeg waarom al die Japanners op hun kamer zaten en niet door de stad struinden.
De eerste keer dat ik in Athene kwam, was op 30 april 1994. Voor ons was het Koninginnedag. In Griekenland was het Paaszaterdag. De boot vanuit Piraeus naar Naxos had enkele uren vertraging. We slenteren door de haven, eten op een terras. Op de boot geniet ik vanaf het bovendek van de kolossale vrachtwagens die allemaal in het ruim van het schip blijken te passen. Als we eindelijk vertrekken is het rond middernacht. Het schip is nauwelijks los van de kade als kerkklokken massaal beginnen te luiden. Vuurwerk kleurt de lucht rood. De misthorens van de schepen galmen over het donkere water. Langs de kade lopen mensen met brandende kaarsen in een lange processie. Ik sta met kippenvel aan de railing.
Athene. Overal lichtjes. Tijdens de korte schemering krijgen ze langzaam kleur en tegen de tijd dat het donder is, twinkelt de hele stad met witte, gele, rode en groene lichtjes. Ze golven mee op de heuvels van de stad. Op dit tijdstip van de dag verlaten Atheners massaal hun huis om de koelte van de avond te begroeten. Wij slenteren door wat over twee weken onze straat is naar het plein. Jongens voetballen op straat. Op een balkon wordt gegeten. Op het plein is het lekker druk. Kaarsjes flakkeren in hun rode potjes op de terrassen. Een echtpaar van dik in de tachtig drinkt een kop koffie naast een familie met kinderen. Jongens en meisjes flirten met elkaar op het gras. In het amfitheater – gebouwd bij de renovatie van het metrostation – wordt meegezongen met bekende Griekse liedjes die door mannen en vrouwen op leeftijd ten gehore worden gebracht. Het geroezemoes op het plein voelt als een warm bad. Ik ben thuis.

To fagitó

Je hebt bakkers en bakkers. Tijdens onze rondrit naar de kust en het meer van Marathon stoppen we onderweg bij een bakker, waar honderden soorten koekjes – zoete en zoute – op indrukwekkende wijze zijn op gestapeld in manden. Broden, zoete en hartige flappen, chocoladetaarten zijn in allerlei soorten verkrijgbaar. We lunchen met een kaasbrood en bougatsa (flap met griesmeelpudding). ’s Avonds zijn we pas tegen tienen thuis.  In de drukke afhaaltent is de hitte voor mij al bijna niet te harden, laat staan voor het personeel. Bijna zwartgeblakerd hangen de stukken vlees boven de houtskool te roosteren. Ik maak thuis snel een salade. We genieten in het donker van het lamsvlees op het balkon. We zijn thuisgekomen vandaag.